A
B C
D E
F
G
H
I
J K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X Y
Z
A
Naar boven
a:
Optiebeurs afkorting van ask. Toevoeging van deze letter achter een premie
betekent, dat één of meer partijen tegen deze premie hadden willen verkopen.
A:
Beursafkorting voor adviesprijs. Toevoeging van deze letter (of het min
teken) achter een koers betekent dat één of meer partijen tegen deze koers
hadden willen verkopen.
AAA:
Door Standard & Poor`s toegewezen hoogste kwalificatie voor een obligatie,
gevolgd door AA en A.
Aandeel :
Het bewijs van
deelname in het kapitaal of in het eigen vermogen van een vennootschap.
lees
hier verder
Aankooplimiet :
De maximum
prijs die de belegger bereid is te betalen voor een aandeel of enig ander
effect.
Achtergestelde lening :
Een lening die pas wordt terugbetaald als alle schuldeisers hun geld hebben
gekregen.
Actief :
Het actief (of activa) van een onderneming omvat alle bezittingen van die
onderneming.
Afloopdatum :
Opties hebben een beperkte looptijd, waarna het recht vervalt en de optie
ophoudt te bestaan. Die vervaldatum is de afloop- of expiratiedatum.
(meestal de derde vrijdag van een maand).
Agio :
De meerwaarde ten opzichte van de nominale waarde of de uitgiftekoers van
een effect.
Agioreserve :
De reserve in de boeken van een onderneming, die is ontstaan doordat ooit
aandelen of obligaties zijn uitgegeven boven de koers van 100%.
Alligator spread :
Een ingewikkelde combinatie van een aantal calls en puts die zoveel
commissie kost dat de belegger maar een minimale kans op een klein winstje
heeft, ook al loopt de constructie zoals verwacht.
Amerikaanse optie :
Optiecontract dat op ieder moment uitoefenbaar is.
Hiertegenover staat de Europese optie, die alleen op de expiratiedatum
uitoefenbaar is.
Arbitrage :
Kopen en snel weer verkopen van effecten, met het doel een winst te
realiseren. Daartoe wordt vaak op verschillende markten gehandeld door
meestal professionele handelaren.
At the money :
Een optie is at-the-money wanneer de koers van de onderliggende waarde zich
dicht bij de uitoefenprijs ophoudt.
B
Naar boven
Baisse :
Daling van het gemiddelde koerspeil.
Basispunt :
Een honderdste deel van een procent. Kleinste eenheid waarmee verschillen in
rentepeil of obligatierendementen worden weergegeven, bijv. 25 basispunten =
0,25%.
Basket-Mandje :
Een verzameling effecten, aandelen of valuta`s. Bedoeld voor risico
spreiding.
Betalingsbalans :
Overzicht van bedragen, die tussen een land en het buitenland moeten worden
verrekend.
Bestensorder :
Opdracht tot aan- of verkoop van effecten zonder opgave van een koerslimiet.
Ook wel market order genoemd.
Biedkoers :
De koers waartegen iemand effecten of opties wil kopen.
Blue chip :
Kwalitatief hoogstaande aandelen van de meest constante winstgevende
bedrijven.
BNP :
Bruto Nationaal Product, de totaalsom van de binnenlandse productie plus de
export en verminderd met de import.
Boekwaarde :
Waarde van een bepaald bezit op het moment van aanschaf, minus de
afschrijving(en).
Brutowinst :
De winst vóór belasting en afschrijving.
Buitengewoon dividend :
Het deel van de winst dat het bedrijf de aandeelhouders uitkeert, na
betaling van de eerste dividend.
Bullspread :
Optiestrategie om te profiteren van een (beperkte) koersstijging.
Tegenovergestelde is een bearspread.
Butterfly spread :
Optiestrategie waarbij twee calls worden gekocht en twee calls worden
geschreven met verschillende looptijden.
C
Naar boven
Call-optie :
Een call-optie geeft het recht om tot de afloopdatum een bepaalde
hoeveelheid onderliggende waarden (zoals bijv. aandelen, obligaties, e.d.)
te kopen tegen een vooraf vastgestelde prijs.
Cash-flow :
Kasstroom, meestal het bedrag van de nettowinst van een onderneming plus het
totale bedrag aan afschrijvingen.
CFD :
Een CFD (Contract
For Difference) is eenvoudig gezegd een financiële afspraak
(contract) tussen een koper en verkoper om het verschil te
betalen/ontvangen tussen de openingskoers en de sluitingskoers
van het CFD contract.
Closed-end fund :
Beleggingsfonds waarvan het aantal aandelen of participaties in principe
niet wijzigt.
Collar :
Optieconstructie die beleggers beschermt tegen koersdaling d.m.v. een
gekochte put en een geschreven call.
Ook wel cilinder optie genoemd.
Converteerbare obligatie :
Obligatie die onder bepaalde voorwaarden gedurende een bepaalde looptijd kan
worden omgewisseld in aandelen van de desbetreffende onderneming.
Coupon :
Genummerd deel van een aandeel of obligatie waarop de jaarlijkse rente wordt
uitbetaald.
D
Naar boven
Deep in the money :
Een optie serie die ver 'in the-money ' is. Deze optie heeft een hoge
intrinsieke waarde.
Dit in tegenstelling tot 'at the money' of 'out of the money' opties.
Deflatie :
Waardevermeerdering van geld ontstaat door daling van het gemiddelde
prijspeil.
Devalutatie :
Officiële waardevermindering van een valuta ten opzichte van buitenlandse
geldsoorten.
Diagonale spread :
Optie constructie van twee series, met verschillende afloopdata en
uitoefenprijzen.
Disagio :
Waardevermindering ten opzichte van de nominale waarde of de uitgiftekoers
van een aandeel of obligatie.
Disconto :
Het officiële rentetarief dat de centrale bank van een land berekend voor
leningen aan de commerciële banken van dat land.
Dividend :
Deel van de winst van een onderneming, dat wordt uitgekeerd aan de
aandeelhouders.
E
Naar boven
Emissie :
Uitgifte van nieuwe (primaire emissie) of bestaande (secundaire emissie)
aandelen, obligaties of andere waarde papieren.
Euro obligatie :
Obligaties uitgegeven op de Europese kapitaalmarkt.
Ex-dividend :
De waarde van een aandeel vlak na de uitbetaling van het dividend.
Expiratiedatum :
De dag waarop een optie vervalt (vervaldatum, meestal de derde vrijdag van
een maand)
F
Naar boven
FED :
Het Amerikaanse stelsel van de centrale banken.
Future
Een future is
een termijn standaard contract die dagelijks op de beurs wordt
verhandeld. De verrekening vindt dagelijks plaats en wordt daily
resettlement genoemd.
lees
hier verder
G
Naar boven
Gearing :
Hefboomeffect: de mate waarin de koers van bijv. een optie sneller beweegt
dan de onderliggende waarde.
Gedekte warrant :
Warrant die bij uitoefening recht geeft op de aankoop van reeds bestaande
effecten.
Geldmarkt :
De markt waarop financiële instellingen op korte termijn (meestal 1 tot 24
maanden) geld kunnen lenen of uitlenen.
Gelimiteerd order :
Een koper of verkoper die wil handelen tegen een bepaalde prijs of beter.
Ook limit order.
H
Naar boven
Hausse :
Voortgaande stijging van de koersen van aandelen.
Ook bull markt.
Head and shoulders :
Koersgrafiek met drie toppen: een lage, een hoge en weer een lage.
Signaleert een dalende trend.
Hedge Fund :
Een beleggingsfonds dat het risico van een belegging op een onderliggende
markt probeert te beperken door op een markt met afgeleide producten (optie-
of future beurs) een defensieve of tegengestelde positie aan te gaan.
Hedging :
Strategie waarbij een investeerder zijn risico probeert te beschermen
tegen waardevermindering.
Hefboomeffect :
Het verschijnsel dat bij een kleine stijging of daling van een aandeel een
veel grotere procentuele stijging of daling van de betreffende optie
veroorzaakt.
Ook: gearing.
Herkapitalisatie :
Wijziging van de kapitaalsstructuur van een onderneming, bijv. door het
gebruiken van de reserves voor het vergroten van het aandelenkapitaal.
Hypotheek :
Meestal een lening op een onroerend goed.
I
Naar boven
IMF :
Internationaal Monetair Fonds, opgericht in 1944 om het wereld geld stelsel
te reguleren en die lidstaten met betalingsproblemen onder strenge
voorwaarden geld leent.
Indexoptie :
Een optie die als onderliggende waarde een index heeft.
Indicatieve koers :
Koers van bijv. een aandeel die wordt vastgesteld wanneer er een tijdje niet
in gehandeld is.
Inflatie :
Geldontwaarding. De daling ontstaat door aanhoudende stijging van het
prijspeil.
Institutionele beleggers :
Instellingen die (meestal) grote kapitalen beleggen. Bijv.
pensioenfondsen, sociale fondsen of levensverzekeraars.
Interim dividend :
Tussentijds uitgekeerd dividend waarna meestal later nog een slotdividend
volgt.
Intrinsieke waarde :
Theoretische waarde van een aandeel, die berekend wordt door de waarde van
de activa (bezittingen) te verminderen met de passiva (schulden) en het
saldo te delen door het aantal uitstaande aandelen. Bij een optie verstaat
men onder de intrinsieke waarde het verschil tussen de koers van de
onderliggende waarde en de uitoefenprijs.
IPO :
Beursintroductie, een afkorting van Initial Public Offering.
J
Naar boven
Jaarvergadering :
Wettelijk verplichte jaarlijkse vergadering van aandeelhouders waarin o.a.
het jaarverslag wordt behandeld.
Jaarverslag :
Schriftelijk verslag van een onderneming over de gang van zaken in het
afgelopen boekjaar. Vaak wordt daarin ook iets gezegd over de
vooruitzichten.
Junk bond :
Obligatie van een vennootschap met een lage of geen kredietrating. Zo'n
obligatie is meestal uitgegeven met een zeer hoge couponrente, maar met een
verhoogd risico dat de lening op de vervaldag niet zal kunnen worden
afgelost.
K
Naar boven
Keuze dividend :
De belegger heeft de keuze tussen contant dividend of een dividend in
aandelen.
Koers/cash-flow :
Deze ratio geeft een verhouding weer tussen de koers van een aandeel en de
cash-flow (winst + afschrijvingen) van een bedrijf.
Koers/winstverhouding :
De verhouding tussen de koers van een aandeel en de nettowinst per aandeel.
Krach :
Plotselinge zeer grote koersdaling op een effectenbeurs. (op 19 oktober 1987
ging de Dow Jones index op een dag maar liefst 508 punten omlaag…)
L
Naar boven
Laatkoers :
Prijs waartegen iemand wil verkopen.
Leverage :
De verhouding tussen vreemd en eigen vermogen. Hoe lager het eigen vermogen,
hoe hoger de leverage. Een leverage van 5 houdt in dat tegenover elke munt
eigen vermogen er 5 geleende staan.
Limiet :
Koers waartegen men wil kopen of verkopen.
Long positie :
Ander woord voor een kooppositie.
M
Naar boven
Margin :
Dekking (onderpand) in de vorm van geld of waardepapieren bij een short
positie.
Margin call :
Verzoek van een effectenmakelaar aan een klant om meer zekerheden te storten
om uitstaande posities af te dekken.
Market maker :
Beurshandelaar die voor eigen risico en rekening handelt.
N
Naar boven
Nettowinst :
Winst na aftrek van belastingen en afschrijvingen.
Nominale waarde :
Waarde die afgedrukt staat op een aandeel of een obligatie.
O
Naar boven
Obligatie :
Schuldbrief met een vaste jaarrente en met een bepaalde looptijd en
aflossingsvoorwaarden.
lees
hier verder
Onderliggende waarde :
Waarde waarop een optie betrekking heeft, bijv. op aandelen, obligaties,
indexen, valuta`s e.d..
Open-end fund :
Beleggingsfonds dat zelf dagelijks aandelen kan inkopen en verkopen, al naar
gelang de vraag en het aanbod zodat daardoor de intrinsieke waarde nagenoeg
gelijk blijft.
Optie(s) :
Verhandelbaar recht om iets te kopen (call optie) of te verkopen (put optie)
tegen een van tevoren vastgestelde prijs gedurende een van te voren
vastgestelde periode.
Met opties kun je verschillende strategieën opzetten,
lees
hier verder
Out of the money :
Een optie is out-the-money wanneer de koers van de onderliggende waarde zich
boven de uitoefenprijs (put) of onder de uitoefenprijs (call) ophoudt.
P
Naar boven
Pari koers :
De koers van een aandeel of obligatie is à pari, wanneer deze gelijk is aan
de nominale waarde. Is de koers lager dan spreekt men van onder pari en is
de koers hoger dan spreekt men van boven pari.
Passiva :
De schulden, voorzieningen en het eigen vermogen van een onderneming.
Pay-out :
Percentage van de winst per aandeel dat aan de aandeelhouders wordt
uitgekeerd als dividend.
PE :
PE is de afkorting voor price/earning (koers/winst). Het is een eenvoudige
waardemeter bij de beoordeling van een aandeel. Hoe lager de verhouding PE
hoe goedkoper het aandeel.
Ook: k/w.
Preferent aandeel :
Een aandeel die statutair bepaalde rechten heeft (bijv. voorrang bij
dividendbetaling e.d.)
Premie :
De premie is de prijs van een optie (incl. de eventuele verwachtingswaarde).
Primaire markt :
Is voor obligaties de handel die plaats vindt in de periode tussen de
aankondiging van de nieuwe emissie en de datum waarop die moet betaald
worden.
Na die datum spreekt men van secundaire markt.
Prospectus :
Brochure waarin voornamelijk financiële informatie wordt gegeven over een
onderneming die aandelen of obligaties wil uitgeven. Wordt in Nederland
tegenwoordig streng gecontroleerd door de AFM.
Put :
Een put optie geeft het recht om tot de afloopdatum een bepaalde hoeveelheid
onderliggende waarden (zoals bijv. aandelen, obligaties, e.d.) te verkopen
tegen een vooraf vastgestelde prijs.
Q
Naar boven
Quick ratio :
De liquide middelen plus de debiteuren gedeeld door het kort vreemd
vermogen.
Quorum :
Het minimum aantal
aanwezigen in een vergadering die nodig zijn voor het nemen van
rechtsgeldige besluiten.
Quote :
Verplichte bied en
laat prijzen waarop beroepshandelaren gehouden zijn een minimale hoeveelheid
van een bepaald fonds te kopen of te verkopen.
Quote driven :
Prijsvorming welke
plaatsvindt op basis van de aanwezige quotes.
R
Naar boven
Rating :
Dit is een waardering betreffende de financiële positie van een bedrijf.
De bekendste rating komen uit Amerika en zijn afkomstig van Standard &
Poor’s en Moody's.
Recessie :
Neergaande conjunctuurbeweging, men spreekt van een recessie na 2 elkaar
opeenvolgende kwartalen van negatieve (economische) groei.
Rendement :
Opbrengst, meestal uitgedrukt in procenten van de oorspronkelijke
investering.
S
Naar boven
Schatkistbiljetten :
Door de Staat uitgegeven schuldbewijzen met een looptijd van ten hoogste 5
jaar.
Schatkistcertificaten :
Door de Staat uitgegeven schuldbewijzen met een looptijd van 10 jaar.
Schatkistpromessen :
Door de Staat uitgegeven schuldbewijzen met een looptijd van ten hoogste 12
maanden.
Scrips :
Op de beurs verhandelbare inschrijvingsrechten op effecten, die recht geven
op een heel stuk.
Short gaan :
Effecten verkopen die je niet bezit, in de hoop ze later goedkoper terug te
kunnen kopen.
(wel margin vereist!)
Ook: in de wind gaan.
Spread :
Het verschil tussen de bied- en laatprijs, of tussen koop- en verkoopprijs.
Ook: het in bezit hebben van een long positie tegenover een short positie in
dezelfde optie serie.
Stock dividend :
Dividend dat wordt uitgekeerd in de vorm van aandelen.
Stoploss order :
Een stoploss order is een sluitingsorder die het verlies beperkt.
Stopprofit order :
Een stopprofit order is een sluitingsorder die de winst beperkt.
Straddle :
Optieconstructie waarbij een belegger een call en een put koopt of schrijft
met dezelfde afloopdatum en uitoefenprijs.
Strangle :
Optieconstructie waarbij een belegger een call en een put koopt of schrijft
met dezelfde afloopdatum, maar met verschillende uitoefenprijzen.
Swappen :
Het door een bank verkopen van bijv. dollars op termijn tegen bijv. euro`s
om tijdelijk de geldmarkt te verruimen. Wordt na een bepaalde periode weer
teruggedraaid.
T
Naar boven
Termijnmarkt :
Markt waar tegen een vastgestelde prijs op een toekomstige datum vraag en
aanbod worden samengebracht op het gebied van goederen en financiële
waarden.
Trackers
Trackers zijn in feite aandelen, die de index op de
voet volgen voor wat de koers betreft. Ze kennen geen
afloopdatum en ze keren in tegenstelling tot een beleggingsfonds
dividend uit.
lees
hier verder
Triple A :
Hoogste credit rating, verstrekt door Standard & Poor of Moody's .
Bij een kwalificatie Triple A (triple betekent 3) is de kredietwaardigheid
van een bedrijf maximaal.
Turbo
Een turbo lijkt op een combinatie van een
optie en een future, maar werkt met een ingebouwde stoploss:
werkt de koers van de onderliggende waarde tegen onze
verwachting in, dan treedt automatisch deze stoploss in werking.
lees
hier verder
U
Naar boven
Underperformer :
Een aandeel dat slechter presteert dan het markt gemiddelde.
Uitbodemen :
Stabiliseren van een koers na een periode van daling.
Uitoefenen :
Het gebruik maken van het optierecht.
Als de koper van een call optie zijn recht uit wil oefenen moet de houder
van een put optie deze waarde leveren.
Uitbreken :
Het plotseling omhoogschieten van een koers na lange tijd van stagnatie.
V
Naar boven
Vast :
Markt stemming bij oplopende koersen.
Volatiliteit :
Ook volatility: dit is de maatstaf voor de beweeglijkheid van een koers.
Voortschrijdend gemiddelde :
Ook: glijdend gemiddelde: een lijn die het gemiddelde aangeeft van een
aantal opeenvolgende historische koersen. Dagelijks wordt een koers
toegevoegd en valt de oudste koers af.
Ook: Moving Average.
W
Naar boven
Warrant :
Verhandelbaar recht om gedurende een bepaalde periode tegen een vastgestelde
koers nieuwe aandelen of obligaties te kopen. Warrants die inspelen op een
koersstijging noemen we een call warrant, warrants die inspelen op een koers
daling een put warrant.
lees
hier verder
Window dressing :
Zodanig schuiven in een beleggingsportefeuille dat een rapportage (op het
eind van een kwartaal of van een jaar) een zo gunstig mogelijk beeld laat
zien.
X
Naar boven
Y
Naar boven
Z
Naar boven
Zero-bond :
Een obligatie die ver onder de nominale waarde wordt uitgegeven maar geen
rente oplevert.